Coöperatief leren

Wat is coöperatief leren?

Introductie
coöperatief leren gaat om het (bewust) samenwerken van betere en zwakkere leerlingen in tweetallen of kleine groepjes.  De leerlingen ondersteunen en helpen elkaar en zoeken samen naar oplossingen voor problemen.  Zwakkere leerlingen profiteren van de aanmoediging, uitleg en hulp van medeleerlingen.

Ook betere leerlingen profiteren van het samenwerken in een heterogene groep: door anderen te helpen, bereiken ze beheersing van de stof op een hoger niveau.  Bovendien neemt de effectieve leertijd toe wanneer de leerkracht gebruikt maakt van het vermogen van leerlingen om elkaar te helpen. Het gaat bij coöperatief leren om zowel het leren van inhouden als het leren samenwerken. Er is dus sprake van een cognitief en een sociaal doel.

Het kenmerkende van coöperatief leren is:
Directe interactie tussen de leerlingen in een groepje; in de uitwisseling van gedachten, ideeën en opvattingen.
Het creëren van wederzijdse afhankelijkheid: de opdracht wordt door de leerkracht zo geformuleerd dat de groep alleen succes kan hebben als alle leden van de groep zich inzetten en een bijdrage leveren.
Individuele verantwoordelijkheid: elke leerling is zelf verantwoordelijk voor zijn eigen leren en gedrag, niet alleen het groepsresultaat telt, elke leerling wordt ook persoonlijk beoordeeld op prestaties.

Voordelen van coöperatief leren

  • Verbeterde sfeer in de groep
  • Soepel lopend klassenmanagement
  • Betrokkenheid van leerlingen
  • Actieve deelname door alle leerlingen
  • Veel variatie in werkvormen
  • Bevordering van de sociale vaardigheden
  • Leerstofbeheersing
  • De leerlingen leren met en van elkaar

Verschil tussen samenwerken en coöperatief leren
Niet al het samenwerken tussen kinderen is coöperatief Leren. coöperatief leren onderscheidt zich van andere vormen van samenwerken door de GIPS-principes* (de vier basisprincipes waaraan coöperatief leren aan moet voldoen):

Het sterkste kind neemt de leiding. Zwakkere kinderen hebben geen gelijkwaardige inbreng, waardoor ze hun niet-competent zijn ervaren. Kinderen moeten samenwerken, maar hoe ze dat doen is niet geregeld. Gelijke deelname: De didactische structuren garanderen dat elk kind van het groepje deelneemt aan de opdracht. Ook de zwakkere kinderen leveren een waardevolle bijdrage, wat hun zelfbeeld positief beïnvloedt. Binnen de didactische structuren wordt geregeld hoe de kinderen overleggen.

Zwakke leerlingen haken af, of verschuilen zich in de groep. Achteraf is niet duidelijk wie wat gedaan heeft. Individuele aanspreekbaarheid: Elk kind levert zijn bijdrage aan de opdracht, en is hier verantwoordelijk voor. Die bijdragen wordt in een bepaalde manier ook zichtbaar gemaakt. Bijvoorbeeld door verschillende kleuren pennen te gebruiken, of door kinderen te bevragen op de verschillende bijdragen. Elke didactische structuur heeft hier een eigen manier voor.

Kinderen moeten samenwerken, maar dat is niet noodzakelijk. Sommige kinderen kunnen het sneller zelf, hetgeen ze soms ook doen. Positieve wederzijdse afhankelijkheid: Om de opdracht succesvol te kunnen uitvoeren moet elk kind zijn of haar bijdrage leveren. Lukt een kind dit niet, zullen de andere groepsleden moeten helpen en coachen.

Kinderen praten misschien met elkaar, maar kunnen ook zonder interactie werken Simultane interactie: In de groep zijn veel kinderen tegelijkertijd zichtbaar actief. Door de simultane structuren zijn veel kinderen tegelijk aan het woord. Bovendien stimuleert deze actieve aanpak de betrokkenheid van de kinderen.

* GIPS= Gelijke deelname, Individuele aanspreekbaarheid, Positieve wederzijdse afhankelijkheid en simultane interactie.